De Marshall versterker

tekst: Lieuwe van der Velde

Toen ik meer dan een jaar geleden een Marshall JTM 45 versterker aangeboden kreeg om te repareren, greep ik dit uiteraard met beide handen aan. Over de reparatie schrijf ik een andere keer misschien, maar ik wilde eerst meer weten over Marshall. En na een tijd zoeken en vele leuke contacten binnen het bedrijf komt dan eerst dit verhaal over Marshall.

Er zullen maar weinig gitaristen zijn, die nog nooit van Marshall hebben gehoord. Maar waarom heeft dit merk de versterkerrace gewonnen? Dat komt mede door het gebruik van buizen. Waar andere merken al lang de transistor gebruikten, hield Marshall stug vast aan de buizentechniek. En de groepen van die tijd zaten niet te springen om Hifi. Die wilden veel volume en vervorming was niet zo belangrijk. Het ding is speciaal gemaakt en ontworpen voor gitaar. Begin jaren vijftig van de vorige eeuw was er op ‘gitaarversterkergebied’ vrijwel niets leverbaar.

Er was een miniversterker van 10 W; die was wel aardig om mee te oefenen, maar verder kon je er niets mee. Het was de Watkins.

De VOX versterker met het chassis op de kop

Dus kwam al gauw in de zestiger jaren de behoefte aan meer geluid. Uiteraard was er ook nog de VOX versterker, maar met zijn 20 W maximaal hield dat ook niet over. En VOX had het chassis op de kop in de kast gemonteerd. En het kwam regelmatig voor dat de buizen uit hun voet vielen. Ook de Fender versterker was er nog, maar die was in die tijd erg duur. In Europa was het aanbod iets groter. Je had in die tijd de Bugera versterker en niet te vergeten de Dynacord. Kennelijk waren die in Engeland begin jaren zestig moeilijk of niet te koop, en daar sprong Marshall op precies het goede moment in.

 

Jim Marshall (23-7-1923 / 5-4-2012) was in zijn jonge jaren niet sterk te noemen. Hij had lange tijd tuberculose in de botten. De behandeling van die tijd was om iemand regelmatig helemaal in het gips te verpakken. Dat moet voor een kind iets ergs zijn geweest.

Zijn vader had een snackbar in Southhall in Middelsex. Dat was niets voor de jonge Jim; hij kon de lucht van vis en patat op het laatst niet meer verdragen. En na veel behandelingen was hij in zijn 14de levens jaar eindelijk vrij, zoals hij dat zelf noemde. Geen gips meer. En op aanraden van zijn behandelend arts ging hij op tapdansles. Dat vergroot de doorbloeding en maakt de botten sterker. Maar door zijn gevoel voor ritme nam hij drumles en werd na een paar jaar een beroemd drummer. Op onderstaande foto zien we hem in actie. Deze foto is ongeveer in 1956 gemaakt.

Ook als zanger heeft hij een tijdje gewerkt. In de grootste danszaal in Southall speelde vrijwel elke avond een orkest en daarbij zong Jim Marshall de bekende liedjes van die tijd. Hij verdiende hier 10 shilling per avond mee. Van dit geld kocht hij een fiets met een aanhangwagentje. Op dit karretje paste zijn drumstel en met nog 7 andere muzikanten traden ze zelf hier en daar ook op. Er was publiek genoeg, want Engeland werd uiteraard in die tijd overstroomt met Amerikaanse soldaten. En die vonden deze muziek prima. Om zijn drummen te verbeteren kon hij na de oorlog in 1946 met zijn eigen geld drumlessen nemen bij Max Abrahams. Op internet is een uitgebreid verhaal te vinden over Max Abrahams. Dit was een zeer bekende drummer in die tijd.

In 1949 begon Marshall zijn eigen drumschool. En hij had beroemde leerlingen. Zo gaf hij ondermeer les aan Mitch Mitchell, die later bij Jimmy Hendrix en Eric Clapton zou gaan spelen. Ook de legendarische drummer Michael Shrieve was een tijdje zijn leerling. Shrieve is uiteraard legendarisch geworden door zijn optreden in 1969 met Santana. Zijn drumsolo in ‘Soul sacrifice’ is nog steeds ongelofelijk.

Om zijn leerlingen van een drumstel te voorzien kocht hij die bij een bestaande winkel en verkocht ze vervolgens voor bijna dezelfde prijs door. Na een gesprek met de eigenaar van de winkel, bleek dat er best plaats was voor 2 winkels met dit soort instrumenten en zo kwam Jim Marshall in de handel terecht. Maar het was Pete Townshend van de Who die Marshall er op attent maakte, dat er in de wijde omgeving geen gitaar te koop was, laat staan een versterker. Hij zei: Waarom bouw je niet een eigen versterker, daarin zit de toekomst. En omdat Marshall al aardig wat ervaring had met het bouwen van luidsprekerboxen, zocht hij mensen, die voor hem een versterker konden bouwen. En die kwamen er, in de personen van Ken Brian en een jonge ingenieur Dudley Craven.

Ze bouwden een versterker, met een eindtrap op basis van twee keer de EL 34. Deze buis was goed leverbaar en niet duur. The Who en The Tremeloes waren de eersten die het chassis mochten proberen. Het was toen alleen nog maar een chassis, zonder kast. Want dan kon je veel gemakkelijker iets veranderen. De eerste versterker kwam gereed in juli 1962. Dit chassis staat nu in een vitrine in de Marshall fabriek.

Het eerste chassis in de vitrine

En na wat experimenteren kwam zo de eerste Marshall versterker gereed. Het was de JTM 45. Eric Clapton en de Bluesbreakers bestelden er direct 4 stuks van. Deze versterker werd gemaakt van 1962 tot en met 1966. Maar al gauw werd de werkplaats van die tijd veel te klein. Het bedrijf heeft op veel plaatsen gestaan. Er moest steeds meer ruimte komen want de productie nam sterk toe.

Dit is de lijst die ik kreeg van de fabriek:

9/1962 - 6/1964
Jim Marshall & Son, 76 Uxbridge Road, Hanwell, W7
3/1963 - 1/1964
Jim Marshall & Son, 93 Uxbridge Road, Hanwell, W7 (Cabinets only)
1/1964 - 6/1964
30ft x 20ft shed in Southall, Middlesex. (Cabinets only)
6/1964 - 6/1966
28-30 Silverdale Road, Hayes, Middlesex
6/1966 - 10/1968
Lyon Road, Bletchley, Milton Keynes
10/1968 - 7/1984
First Avenue, Bletchley, Milton Keynes
7/1984 - current day
Denbigh Road, Bletchley, Milton Keynes

Voor de liefhebbers: de eindtrap bestaat uit een balansversterker met twee keer de EL 34. Later zijn ze van de EL 34 afgestapt en overgegaan naar de KT 88. Deze buis kon maximaal 42 W vermogen leveren dus als je twee exemplaren had, kwam je al gauw in de buurt van 100 W. Toen Pete Townshend (19-5-1945) van The Who bij Jim kwam vond hij de versterker prima, maar hij wilde toch graag wat meer volume hebben; toen hebben de 2 Marshall technici een eindtrap gebouwd met 4 keer KT 88. En met de juiste instellingen en een anode spanning van ongeveer 400 Volt, kom je in de buurt van de 200 W.

De eindtrap met 4 keer KT 88.

Nog even een aardigheidje. Voor degene die de JTM 45 zelf wil bouwen, is dit mogelijk. Alle onderdelen zijn los te koop of als compleet bouwpakket leverbaar; zelfs de kasten zijn via internet te koop. De prijs is vrij heftig, dus helemaal zelf maken is natuurlijk goedkoper en veel leuker…..

Het bouwpakket

Maar goed terug naar de Marshall. Als opvolger van de JTM 45 diende zich in 1966 de JTM 50 aan. Samen met de JTM 100, die bekend stond als de Plexi. Deze naam was ontstaan, door de plexiglazen frontplaat. Alle regelaars zaten in deze plaat. Achteraf was dit geen succes (veel breuk) en is men snel weer overgegaan op de goudkleurige aluminium frontplaat. Tot en met 1981 zijn er wat verschillende uitvoeringen en kleuren op de markt verschenen maar de techniek is al die jaren onveranderd gebleven. In 1981 kwam Marshall met de legendarische JCM 800. Heel veel artiesten hebben deze versterker gebruikt. Het typenummer komt van Jim Marshall en de 800 stond toen op de nummerplaat van zijn auto. De versterker kon geleverd worden met de KT88 of de 6550 eindbuizen. Hij wordt nog steeds gemaakt en kost ongeveer 1800 Euro. Maar ook deze versterker is leverbaar als bouwpakket.

Ondanks alle nieuwe ontwikkelingen op elektronicagebied hield men vast aan de buizen. Deze techniek was zeer betrouwbaar en die enkele keer dat er wat fout ging dan was een buis snel te vervangen. Met een transistorversterker ligt dat iets anders. Een groot probleem met de 100 W versterker was, dat de luidsprekers steeds defect raakten. Maar door 4 luidsprekers in 1 kast te zetten en deze gedeeltelijk in serie te schakelen werd de uitval een stuk minder.

In 1964 moest er behoorlijk worden uitgebreid. Toen ontstond de echte fabriek. Met een ruimte van maar liefst 560 vierkante meter en 16 nieuwe medewerkers. Op deze manier maakten ze met zijn allen 20 versterkers per week. De versterkers werden eerst alleen maar verkocht in zijn eigen winkel in Hanwell (Londen), maar toen ze bekender werden, stelde Jim ze beschikbaar voor de verkoop in andere winkels, in het zuiden van Engeland. Zijn vriend Johnny Jones nam de distributie voor het Noorden van Engeland voor zijn rekening.

Dit duurde maar 16 maanden en daarna tekende Jim een contract met Rose-Morris in Denmarkstreet te Londen. Deze grote winkel zorgde voor de gehele verkoop en deze samenwerking zou maar liefst 15 jaar duren. Jim vond dit allemaal wel wat sneu voor Johnny en samen besloten ze naast de Marshall een tweede lijn versterkers te maken. Dit werd de Park line serie. Precies hetzelfde als de gewone Marshall, maar dan met goedkopere componenten. Dus geen professionele E34L eindbuis maar gewoon de EL34 etc.

 

 

 

 

Marshall was goed voor zijn personeel en er was heel weinig verloop. Op deze manier kreeg je een goed product. Iedereen wist precies wat er van hem of haar verlangd wordt. Eén keer per jaar huurde Jim een bus met chauffeur en ging het hele bedrijf op stap. Jammer dat er geen namen bij de foto staan.

In 1965 had The Who een paar stevige versterkers nodig voor hun optredens in Amerika. En speciaal voor hen bouwden Ken Bran en Dudley Craven een viertal versterkers met een uitgangsvermogen van ruim 100 W per stuk. Als aardigheidje kon de volumeregelaar als maximum niet op 10, maar op 11. Het heeft verder geen betekenis, maar leuk is het wel.

De twee gitaristen van The Who hadden zo elk de beschikking over twee versterkers van elk 100W, die op elkaar werden gezet. De bijbehorende luidsprekers kwamen er onder te staan. Dit noemde men de Marshall stack.

Vanaf 1966 onderging Marshall een explosieve groei en nam de positie in van de beste en meest verkochte gitaarversterker ter wereld. Heel veel beroemde groepen gebruikten deze apparatuur. Bij Status Quo had iedereen zijn eigen Marshall. En om vergissingen te voorkomen kwam er een sticker achterop.

Echt een aparte verkoop was die aan Screaming Lord Sutch. In Nederland is hij niet echt doorgebroken, maar in Engeland wel. En met zijn groep bestelde hij bij Jim een drietal versterkers. Zijn echte naam was David Edward Sutch (Londen, 10 november 1940 –Londen, 16 juni 1999). Hij was een Brits musicus en politicus en activist. Hij was de oprichter en voorman van de politieke partij Official Monster Raving Loony Party. Sutch nam tussen 1983 en 1997 voor de Official Monster Raving Loony Party deel aan 37 verkiezingen. In 1994 haalde hij in Rotherham met 4,2 procent het hoogste percentage kiezers. Meestal haalde hij tussen de één en twee procent van de stemmen. Door het Britse districtenstelsel, waarbij enkel de winst in een kiesdistrict genoeg is, had hij geen kans op een zetel in het parlement. David Edward Sutch kampte met depressies. Deze verergerden na de dood van zijn moeder in 1997. In 1999 pleegde hij op 58-jarige leeftijd zelfmoord door zich op te hangen. Hij werd naast zijn moeder begraven op een begraafplaats in de Londense wijk Pinner. (Met dank aan wikipedia)

Screaming Lord Sutch schudt de hand van Jim Marshall

Ook werd heel veel apparatuur besteld door leden van Deep Purple en door Elton John. In 1981 beëindigde Jim zijn samenwerking met Rose-Morris. De verkoop van de oudere modellen nam af en het bedrijf concentreerde zich op de JTM 800. De buizentechniek bleef, maar wel werd voor de rest van de componenten een print ontworpen.

Verder was en is er in de fabriek geen automatisch proces te vinden. Het testen en afstellen van de versterkers gebeurt gewoon op de werkbank met een scoop en een toongenerator. Op de foto zien we de testafdeling aan het werk.

Toen het bedrijf 20 jaar bestond, werd er voor deze gelegenheid een serie witte versterkers gebouwd. Deze waren binnen een maand uitverkocht en zijn een echt verzamelobject geworden. De gitarist Nick Simper, die van 1968 tot en met 1969 bij Deep Purple speelde, heeft een witte Marshall. Op YouTube staat een live optreden van hen. Ze spelen het nummer Fireball, met een flinke hoeveelheid Marshall apparatuur.

Ken Brian van Marshall met de witte set

In 1984 kreeg het bedrijf een onderscheiding. Dit was de ‘Queens Award for Export’. Een hele eer, ingesteld door de koningin voor hun buitengewone inzet voor de export en verkoop van goederen buiten Engeland. Nog aardig te vermelden is, dat Jim in 1985 uitgenodigd werd om een afdruk van zijn hand te laten maken voor de Rock Walk Hall of Fame.

Zijn afdruk kwam tussen die van Leo Fender, Robert Moog, Les Paul, Eddie van Halen en Stevie Wonder. In 1987 werd herdacht dat Jim 50 jaar actief was in de muziek en 25 jaar in de versterkerwereld. Dit was de gelegenheid om een Silver Jubilee serie versterkers te produceren van 50 en 100 W. Een serie met veel chrome- en zilverkleurig vinyl. Heel apart was, dat in 1993 Marshall de rechten kocht om de VOX AC 30 te bouwen. In 1963 was het de toenmalige eigenaar van VOX, Tom Jennings, die Marshall dreigde met een proces, omdat hij er van overtuigd was, dat ze zijn ontwerp voor een heel groot gedeelte hadden gebruikt.

Tot een proces is het toen nooit gekomen. Maar de mensen bij Marshall wilden het aparte geluid, dat deze versterker voortbracht weer terughalen. Toen ze Jim in 1994 vroegen, wat hij verder nog van plan en vooral waarom hij niet in een groot huis woonde en geen Rolls Royce had, zei hij: ik wil verder uitbreiden. Ik heb net een leegstaande fabriek gekocht en we gaan naast de VOX versterker onze eigen producten nog beter maken. En geld voor mijzelf, daar geef ik niet om. Ik kan het toch niet meenemen. Als mijn medewerkers het goed hebben en ons product gewaardeerd wordt, dan vind ik het prachtig. Een gewone auto is prima en een huis waarvan het dak niet lekt is meer dan genoeg. Jammer dat hij na 1994 nog maar zo kort zijn bedrijf heeft mogen meemaken.

Met dank aan Marshall external contacts.


Een reactie van Henk Kruize n.a.v. het lezen van bovenstaand artikel:

In 1969 raakte ik als 14-jarige "besmet" met het zelfbouwvirus om zelf (buizen-)radio's en versterkers te bouwen doordat ik een boekje kreeg van uitgeversmij. "De Muiderkring". Het heette "Jongens Radio" en het was de 10e druk uit 1957, met de steun van een lokale radiohandelaar in Geldrop, Jan van Orsouw, lukte dat na een jaartje vrij aardig. Jan, een echte oude "radio zelfbouw rot" liet me kennismaken met de Amroh onderdelen voor zelfbouw en leerde me veel "fijne kneepjes" van het vak.

Ook de "metaalklas" die ik had gevolgd op de LTS kwam van pas, chassis maken door middel van aluminium buigen, zetten, passende gaten maken etc. Dat resulteerde in vele "projectjes" tussen mijn 14e en 30e jaar.

foto: Henk Kruize

Een van die versterkers, gebouwd in 1972 is nog steeds in mijn bezit en werkt na 47 jaar (!!) nog steeds perfect... met 2x EL-34, een Amroh voedingstrafo en de fameuze Amroh U-70-BN uitgangstrafo.....

Soms, als ik wat tijd over heb, knutsel ik nog eens wat in elkaar, gewoon om "de feeling" niet te verliezen.

Tegenwoordig bouwt men zelf niets meer.... alles is "goedkoop" en wegwerp geworden... Mensen weten niet wat voor een plezier het geeft als je zoiets zelf maakt.

Comments are closed.