Groningen van toen (46): rijwielen en motoren

tekst: Hans Knot foto: Academiegebouw Broerplein, door: Wutsje / Wikimedia Commons, CC BY-SA 3.0, https://commons.wikimedia.org/w/index.php?curid=17987351

Recentelijk was het weer tijd om enkele buitenlandse gasten van de universiteit een aantal dagen, zowel inhoudelijk als sociaal, actief bezig te houden en als onderdeel werd op een van de dagen een stadswandeling gemaakt van een paar uur om de mooiste en meest historische plekken van de Martinistad Groningen te vertonen. Daarbij werd natuurlijk ook een bezoek gebracht aan het Broerplein, waar het hoofdgebouw van de Rijks Universiteit Groningen is gevestigd.

In het Academiegebouw valt genoeg te vertellen, maar staande op de entreetrap valt ook het nodige over de omliggende panden en meer te vertellen. Hoewel ik al decennia lang dergelijke stadswandelingen voor buitenlandse gasten organiseer ben ik iedere keer weer verbaasd over de enorme, soms verbluffende, reacties als men ziet hoeveel fietsen daar op het Broerplein, al dan niet in de rekken, staan. Nog meer verassende reacties komen er dan als je vertelt dat fietsen die niet goed geparkeerd staan door de gemeentereiniging dagelijks worden weggehaald, waarna ze worden opgeslagen. Eigenaren kunnen ze dan tegen betaling, terughalen uit die opslag. Na een bepaalde periode dat de fietsen daar staan en niet worden afgehaald worden dezen in de openbare verkoop gedaan.

Ook vertel ik dan over de hoge diefstalgraad onder de fietsen van vooral de studenten en over het dreggen in de grachten door de gemeentelijke diensten, waarbij jaarlijks honderden fietsen naar boven worden gehaald. Het gebruiken van een fiets is de meest normale zaak voor de bewoners van Groningen dat een fiks aantal jaren geleden, mede vanwege de goede structuur van de fietspaden, leidde tot de titel ‘Fietsstad van Nederland’. Ook als je het met het buitenlands bezoek hebt over gemiddeld aantal fietsen per bewoner wordt er vaak verrassend gereageerd. Het merendeel van deze gasten heeft dan ook nooit, of nooit intensief, op een fiets gereden. Dit terwijl wij Groningers er niet zonder kunnen.

Dan komt ook het plan om de hoek dat de eigenaar van het voormalige pand van Vroom en Dreesmann in onderhandeling zou zijn met de gemeente Groningen te komen tot de inrichting van een grote fietsenstalling in de kelder van het voormalige warenhuis. Waarachtig, kan dit tot een verfrissing van de binnenstad leiden. Grote fietsenmagazijnen en -kelder zijn er al bij het Centraal dan wel Hoofdstation van Groningen.

In gedachten liep ik na de stadswandeling met de buitenlandse gasten terug naar mijn begin locatie en dwaalde af naar het begin van de jaren zeventig van de vorige eeuw. Wie kent ze nog? De favoriete en winnende koppels Klaus Bugdal en Dieter Kemper uit West Duitsland of de Zwitser Fritz Pfenninger gekoppeld aan Peter Post en Leo Duyndam die gekoppeld was met René Pijnen. Het waren de eerste drie koppels in de eindstand van wat eens de tweede Zesdaagse van Groningen was, die werd gehouden in de toenmalige Martinihal. Zes dagen vol wielerplezier en amusement in 1971. Het zou bij die twee keer als zodanig blijven, mede door een gebrek aan belangstelling van de kant van het publiek.

Zesdaagse 1971: een jonge Mart Smeets te gast - foto: Rob Bakker

Zesdaagse 1971: de winnaars - foto: Rob Bakker

In 1979 deed organisator Ruys alsnog een poging een Zesdaagse te laten rijden in combinatie met andere sporten waaronder basketbal en Atletiek. Andermaal niet succesvol, geen belangstelling ondanks dat het werd aangekondigd als Topsport ’79 in de zogenaamde Topsportweek. De ziekenomroep van het Katholieke Martini Ziekenhuis, Studio 73, verzorgde dagelijks reportage voor de zieken vanuit het middenveld van de speciaal gebouwde wielerbaan en ontvingen daar een aantal speciale gasten.

In 1971, toen nog maar net de racefietsen en de daarbij behorende derny’s waren verdwenen was er ruimte voor een tweede evenement in Groningen gekoppeld aan het onderwerp ‘rijwielen en motoren’. Het ging in dezelfde hal van start onder de noemer: ‘Groninger Salon’.

Het was in de jaren vijftig een regelmatig terugkerend gebeuren om de inwoners van de stad en provincie te laten proeven aan deze vormen van vervoer. Succes was verzekerd want de omzetten stegen. Op verschillende locaties werd de tentoonstelling gehouden totdat het in de vergetelheid geraakte met als reden dat er geen groot genoeg onderkomen meer was te vinden en dus was 1961 een einde gekomen aan de eerste serie ‘Groninger Salon’.

Door het gereedkomen van een nieuw complex, de Martinihal, besloten de gezamenlijke rijwiel- en motorhandelaren in Groningen in 1970 om de tafel te gaan zitten om te komen tot het herinvoeren van een oude traditie. Op vrijdag 12 maart 1971 was het zover, ten overstaan van de trotse organisatoren en hoopvolle standhouders was het de genodigde wethouder P.G. van Delden die in het toenmalige restaurant R2000 namens het gemeentebestuur een officieel openingswoord sprak.

Hij stelde onder meer: “Door deze grote etalage met producten, die qua verkoop en gebruik kunnen meewerken aan een vergroting van het welzijn, wordt zeker de aandacht op Groningen gevestigd." Naast enkele andere sprekers nam ook de toenmalige Martinihal-directeur, de heer H. Borgman, het woord. “Ik ben ervan overtuigd dat de Groninger Salon van nu af aan om de twee jaar gehouden zal kunnen worden."

Liefhebbers van rijwielen, brommers en motoren konden vervolgens tot en met de daarop volgende zondag op de tentoonstelling hun ogen uitkijken. Er was nogal wat te zien voor die tijd. Ongeveer 300 verschillende fietsen, 150 brommers en 85 motoren, die door de 18 standhouders in samenwerking met verschillende groothandelaren naar de Martinihal waren gebracht. Naast al het nieuwe dat op rijwiel- bromfiets- en motorgebied te zien was, had de Groninger Salon zowaar ook twee echte primeurs. Voor de eerste keer was in Nederland, op de tentoonstelling, de Moby-mini, het toen nieuwste model van Kapitein-Mobylette, te bewonderen. Bovendien introduceerde de Japanse Honda dealer in Groningen de eerste Honda-brommers.

Er waren trouwens nog meer interessante zaken die onder aandacht van het bezoekende publiek werden gebracht. Allereerst twee motoren van het ‘Easy-Rider-Type’, genoemd naar de motoren uit de destijds populaire film met dezelfde naam, waaronder de ME-droom-Puch. Verder de Kawasaki van de destijds populaire motorcoureur Theo Louwes, inclusief een stand van zijn 400 leden tellende fanclub.

Op het gebied van de motorsport was er nog meer te zien. Een groot aantal wegrace-, cross- en grasbaanmachines, evenals enige ‘sprinters’ stonden ook in de Martinihal te glimmen. Bijzonder was ook de Laverda, de machine die de ‘24 uur race van Parijs’ in 1970 had gewonnen. Niet alleen nieuwe motoren, maar ook de zogenaamde ‘veteranen’ hadden een plaatsje gekregen op de ‘Groninger Salon’. In een apart hoekje stond een tiental imposante en grillige ‘oudjes’. Zo was er onder meer een James uit 1920, een Cleveland uit 1917 en een Simplex uit 1915 te zien.

Een andere interessantste bezienswaardigheid op de tentoonstelling was wel de stand van rijwiel- en bromfietsenhandelaar R. Klei van de Parkweg uit Groningen. Voor het eerst had de heer Klei namelijk zijn bijzondere collectie oude fietsen buiten zijn winkel tentoongesteld. Ongeveer 20 verschillende modellen, die bijna de gehele ontwikkeling van de fiets weergaven. Dit deel van de tentoonstelling stak dan ook wat vreemd af tegen al het moderne chroom en glimmend staal dat in de Martinihal gedurende vier dagen te zien was.

Klei begon in het begin van de jaren zestig van de vorige eeuw al met zijn verzameling. Ook oude koplampen, die door petroleum, kaarsen of carbid licht gaven, behoorden daarbij. Hij had ze overal gekocht en de oude beestjes bleken echt niet goedkoop te zijn geweest. Hij stelde destijds dat ze gemiddeld 1500 gulden waard waren. De familie Klei, die een paar portieken van het bedrijfspand aan de Parkweg destijds woonde, ging dan ook op vakantie met een bepaald doel naast het gebruikelijke ‘tot rust komen’. Klei was altijd op zoek naar oude fietsen en zo haalde hij een oud exemplaar uit de Franse Pyreneeën en een oude carbidlantaarn nam hij uit Engeland mee.

Ook in Denemarken was nogal eens wat te vinden. Zijn oudste fiets dateerde destijds uit 1865. Het was de Michau Velocipède fiets uit Frankrijk, uitgerust met houten wielen. Het was een van de zes modellen met een groot en een klein wieltje uitgerust. Opvallend daarbij was dat het grote wiel steeds groter werd, naarmate het model jonger was en met als resultaat dat de fiets harder ging wanneer het wiel groter was.

Naast deze modellen en de eerste kettingfietsen bevatte de collectie van de veel te vroeg overleden heer Klei verder onder meer nog een exemplaar van de Engelse Parachutistenfietsen die in 1944 boven Arnhem gedropt werden. Ook de eerste vouwfiets, van Fongers, de Van Wagtendonkfiets uit 1910, behoorde tot zijn verzameling. Interessant was tenslotte een fiets uit 1920 met de zogenaamde ‘cardan-aandrijving’. Een fiets zonder ketting, dat waarschijnlijk wegens de technische gecompliceerdheid, geen succes werd.

Inmiddels zijn we bijna een halve eeuw verder en besloot ik een bezoekje te brengen aan het pand van Rijwielhuis Klei aan de Parkweg, hoek Zaanstraat in Groningen. Hier zit, na het overlijden rond 1980 van de heer Klei, inmiddels de vierde eigenaar in. Bij het horen van het woord ‘Groninger Salon’ werd verbaasd gereageerd, want men wist niet wat dit inhield. Ook van de eerder genoemde prachtige verzameling, waar vroeger altijd één, of twee, voorbeelden in de werkplaats stonden opgesteld, is bij de huidige eigenaren totaal niets bekend. Het enige dat is gebleven is de slogan, die ook al in de jaren zeventig van de vorige eeuw op een groot bord aan de zijkant in de Zaanstraat aan de muur prijkte. ‘Hij en Zij op een Fiets van Klei’.

Comments are closed.