Acht vrouwen en een radiozendschip

tekst: Hans Knot

We gaan de terug naar de zomer van 1970 en als ik een paar namen van de volgende dames noem zal het merendeel van de lezers er helemaal niets van begrijpen als ik stel dat deze vrouwen van groot belang waren voor het runnen van een radiostation vanaf internationale wateren. Want wie kent Florence Oudenbroek, Thin Shan Hasiang Shanfa, Lisa Christiansen of Gerrie Preuss? Het zijn vier van de acht vrouwen die gekleed gingen in een prachtig kostuum dat toebehoorde aan de marine van een land dat niet gelegen is aan een zee maar daadwerkelijk wel een eigen vloot had, zover bekend bestaande uit één boot.

Deze marine was speciaal in het leven geroepen nadat de International Broadcasters Society (IBS), onder leiding van de Canadees Timmy Thomason, begin 1970 bij de regering van het land besprekingen had gevoerd met als doel een vlagregistratie bij het land te verkrijgen zodat een toekomstig zendschip in internationale wateren zou kunnen functioneren onder de Liechtensteinse wetgeving. Men ging in Vaduz, de hoofdstad van de ministaat, akkoord met niet alleen de registratie maar ook met het oprichten van een speciale marine-eenheid die functioneel zou gaan worden aan boord van de MV King David. Dit was destijds de nieuwe naam voor de voormalige Groninger coaster, 32 jaar eerder gebouwd, die eerder onder de namen MS Tiny en, na herdoop, MS Zeevaart als vrachtschip dienst deed.

Opgelegd in de haven van Groningen werd de coaster aangekocht en daar zowel als elders omgebouwd voor haar nieuwe doel, het brengen van muziek, charitatieve boodschappen als wel religieuze programma’s. Zoals gesteld was het de IBS die achter de organisatie van Capital Radio zat en kantoor had in Bussum, terwijl ook een bijkantoor in New York was gevestigd. De IBS was een organisatie die een beroepsvereniging heette te zijn van radio- en televisiemensen als wel organisaties in de gehele wereld. Volgens Thomasson waren er rond de 2000 mensen aangesloten bij de IBS verdeeld over ongeveer 100 landen, terwijl er in Nederland weinig belangstelling voor het werk van de IBS zou zijn. De IBS werd in 1960 opgericht door de Canadees en Berthe Beydels, een voormalige omroepster van Radio Nederland Wereldomroep en die tevens had gewerkt bij Radio Luxembourg en de AVRO. In 1962 trouwde Beydels met Thomasson.

Ieder jaar werd er door de IBS een Award uitgereikt aan een van de meest belangrijke mensen van dat jaar binnen de radio-industrie en zo was het eind jaren zestig één van de Veronicadirectieleden, Hendrik (Bull) Verweij, die de eer kreeg deze onderscheiding in ontvangst te nemen. De vraag was echter of Radio Veronica ook lid was van de IBS. In de voorzomer van 1970 antwoordde zijn broer Dirk Verweij, die ook in de directie zat, dat dit niet het geval was. “Ik denk dat bepaalde kerken achter de organisatie van de IBS zitten. Wij zijn destijds benaderd om lid te worden van de IBS. Aanvankelijk bestonden er niet veel bezwaren tegen, omdat het kennelijk een normale vereniging van grote radiostations was. Later bleek dat de vereniging volgens ons van karakter was veranderd. Misschien is het een dekmantel. Wij hebben in elk geval besloten geen lid te worden van de IBS, sterker nog we willen er helemaal niets mee te maken hebben.”

Vreemd genoeg was het Berthe Beydels die de pers in juni 1970 uitgebreid ter woord stond in het nog niet volledig ingerichte kantoor in Bussum, waarbij een van de aanwezige journalisten vermeldde dat er meer zakken cement dan grammofoonplaten aanwezig waren in het pand. Over de lidmaatschappen stelde ze heel duidelijk dat er behalve de Gebroeders Verweij geen enkele andere Nederlander lid was. Ook organisaties als de Wereldomroep waren niet aangesloten bij de IBS. Volgens Beydals had dit vooral te maken met het conflict dat de reden was geweest tot ontslag van Thomasson bij de Wereldomroep. Een andere bekende radiomaker, Edward Startz van Radio Netherlands, kreeg de award in 1968 uitgereikt.

In de berichtgeving over Capital Radio werd veelvuldig geschreven over een idealistische instelling maar nog meer over tegenspoed dat de organisatie had met het zendschip en haar uitrusting. Men was in een korte uitzendperiode meer niét dan wél in de ether en men werd tevens in verband gebracht met het in bezit hebben van wapens. Echter over de aanwezigheid van vrouwen op de King David, dat in 1970 enkele maanden voor de kust ter hoogte van Noordwijk in internationale wateren lag verankerd, verbaasde menig lezer van de diverse kranten bij het zien van foto’s die geschoten waren in de studio’s aan land als wel aan boord van het zendschip.

Slechts in enkele infobulletins van de International Broadcasters Society en enkele kranten werd eerder melding gemaakt van vrouwen, die actief waren binnen het radiostation aan boord van het zendschip en aan land. Daarbij werden ze op foto’s getoond terwijl ze ondermeer actief bezig waren in de landstudio van Capital Radio in Bussum. De luisteraar die zich enthousiast per brief richtte tot Capital Radio kreeg ook nog eens een boekje toegestuurd met volop informatie en met diverse afbeeldingen van de voor de organisatie actieve dames.

In de programma’s en enkele andere uitingen van Capital Radio werd de luisteraars duidelijk gemaakt wat de doelstellingen van de IBS en dus ook Capital Radio waren. ‘Het bieden van een alternatief ten opzichte van Europese regerings-radiomonopolies. Verder het aantonen hoe goedkoop en effectief radio kan zijn en de vrije radio in de praktijk brengen.’

De voornamelijk non-stop muziekprogramma’s werden herhaaldelijk onderbroken voor het voorlezen van andere doelstellingen, voornamelijk op algemeen menselijk gebied. Voorbeelden hiervan: ‘het redden van mensenlevens en het beschermen van menselijke waardigheid’ en ‘het bevorderen van gelijke kansen voor mannen en vrouwen’. Dit laatste werd dus duidelijk bewezen door de vrouwen zowel aan land als aan boord van het zendschip naast de mannen op voet van gelijkwaardigheid te laten werken.

Voor velen werd de aanwezigheid van vrouwelijke Liechtensteinse mariniers aan boord van de MV King David heel duidelijk toen men in de maand november 1970 in het Journaal dan wel in de dagbladpers beelden zag van een aantal vrouwen dat vanaf het gestrande zendschip richting het strand een weg baande. Velen konden hun ogen niet geloven want vrouwen en radio was al uniek maar vrouwen op een radioschip was helemaal niet gebruikelijk in het decennium daaraan voorafgaand, toen tal van radiozendschepen verankerd lagen in internationale wateren in West Europa.

Maar er waren veel eerdere momenten dat vooral in lokale en kleinere kranten toch wel aandacht werd besteed aan de aanwezigheid van vrouwen aan boord van de coaster. Zo diende op een bepaald moment het zendschip voor herstelwerkzaamheden al vrij snel de haven van IJmuiden aan te doen en door te varen naar Zaandam om daar werkzaamheden aan de dubbelgeklapte zendmast te laten verrichten. Het was op het ANP nieuws geweest dat het schip een veilige haven ging opzoeken en dus lukte het een verslaggever van ‘De Tijd’ een bezoekje te brengen aan de werf, waar hij ontdekte dat er vrouwen behoorlijk aan het werk waren om de buitenzijde het dekhuis op het zendschip van een nieuw verfje te voorzien.

Hij hoorde op afstand al een hoge stem roepen tegen Gerry dat de pers niet ter woord mocht worden gestaan: “We mogen echt niets zeggen”, maar toch kwam een blonde vrouw van rond de 25 jaar – haar gezicht vol verf – richting de journalist om hem kort te spreken. Ze stelde zich voor als ‘Jerry’, dit omdat er ook Engelstaligen betrokken waren bij Capital Radio. Desgevraagd wilde ze wel stellen dat een ieder wel iets mocht zeggen tegen journalisten maar alleen tot op zekere hoogte: “Het geheel is een experiment dat grotendeels is geslaagd. Eerst werden we moeilijk geaccepteerd door de mannelijke bemanningsleden, maar tijdens een storm, toen het roer en de zendmast beschadigd raakten, hebben we getoond wat we waard zijn en sindsdien worden we gezien als volwaardige matrozen”.

Gerrie had enige tijd in Canada gewoond en allerlei baantjes aangenomen, wat ook van haar collega’s kon worden gezegd daar ze van alles aanpakten om op een eerlijke wijze hun geld te verdienen. “Het werk is misschien dan wel mannelijk, zoals onderhoudswerkzaamheden, maar bij Capital Radio gaat men er vanuit dat het werk voor de vrouwen gelijkwaardig dient te zijn aan dat van de mannen. Alleen dan niet op de Dolle Mina wijze, maar gewoon door het te doen. En het gaat op een ongelofelijke manier goed het samen te doen.”

Naast de voornoemde acht vrouwen, die in toerbuurt met vier tegelijk aan boord zaten van de King David, bestond de bemanning uit een kapitein, een stuurman, twee man technisch personeel, een matroos en een kok. Desgevraagd bleek ook dat de mannen het experiment zeer geslaagd vonden. De vrouwen brachten in eerste instantie drie weken aan boord en drie weken aan land door maar na een aantal maanden van proefuitzendingen, veranderde dit op 1 september 1970 in twee weken aan boord en twee weken verlof aan wal.

Natuurlijk heerste er, zoals gewenst aan boord van een willekeurig schip, een uitermate vorm van sterkte discipline. Andermaal Gerrie Preuss: “De discipline is als op elk schip erg streng maar toch voelen we ons een grote familie. Het is vreselijk gezellig maar toch dient er grote discipline te zijn.” En uitgehoord over het kostuum dat ze droeg stelde ze: “zwarte broek, wit overhemd, das en matrozenpet, alles volgens de normen van de Liechtensteinse marine. Sommige meisjes vonden dat in het begin niet zo leuk, maar nu wil niemand meer anders.”

Later die middag vroeg de journalist van de Tijd of ze bereid was op de foto te worden gezet. Maar Timmy Thomasson, de directeur van Capital Radio, was inmiddels op de werf gearriveerd en gelet op de strenge regels betreffende contacten met de pers werd er meteen een afstandelijke houding aangenomen. Reden genoeg om hem aan de tand te voelen inzake zijn station: “Wij zijn voor ‘law-and-order’, noem het liberaal-conservatief. Wij zijn wel voor demonstraties maar niet op straat zoals met de langharigen op de Dam in Amsterdam. Deze langharigen liggen mij ook niet zo, maar dat is een persoonlijke mening. Wij zijn voor vrije onderneming en niet gebonden aan een politieke partij of een geestelijke stroming. Desondanks hebben we al enkele advertentie aanbiedingen van politieke partijen gekregen die graag ons radiostation als platform willen gebruiken. Wij willen het Europese publiek laten horen dat professionele, commerciële radio goede radio kan zijn.”

In een ander teruggevonden krantenartikel kwam Bertha Beydals andermaal aan het woord betreffende de idealen die men voorstond en ze haalde een onderwerp aan dat niet eerder in een Nederlandse krant werd gepubliceerd. Ze stelde dat men zich bezig ging houden door mensen te redden in ontwikkelingslanden waarbij dit mede mogelijk werd via het oprichten van radiostations waarbij de programmamakers zich vooral voorlichtend bezig dienden te houden om mensen te kunnen redden. Ze stelde dat de IBS daarvoor nauwe contacten onderhield met de Action Cultural Popular in Columbia. Deze organisatie hield zich al sinds een aantal jaren bezig met het verzorgen van educatieve programma’s via de radio in het Zuid-Amerikaanse land.

Beydals benadrukte in het interview dat de programma’s op Capital Radio in de toekomst niet dienden te worden gezien als bedelacties: “Wij komen met een geheel nieuwe vorm van ontwikkelingshulp. De mensen, die straks reageren op onze acties, geven niet alleen geld maar nemen met dat geld deel in een project. Later krijgen zij dat geld terug. Een volslagen nieuwe manier van ontwikkelingshulp, dat begrijpt U wel.”

Andere vormen van publiciteit waarin Berthe Beydals naar voren trad als woordvoerster geven mij de indruk dat ze de populariteit van het station groter maakte dan het in daadwerkelijkheid was. Immers was het vermogen van de gebruikte zender zo laag dat goede ontvangst, als Capital Radio in de ether was, alleen goed was in de Randstad. In Groningen ontving ik het zelden in redelijke kwaliteit en dan ook nog met behulp van praktisch goede middengolf ontvangstantennes.

Zo stelde ze na een week van reguliere uitzendingen dat honderden brieven per dag binnenkwamen op het postadres in Bussum: “Opvallend veel reacties krijgen we binnen van academici en mensen met een adellijke titel”, was een van haar uitspraken. In het interview werd haar ook gevraagd of er al reclamezendtijd was verkocht waarbij de suggereerde dat er sterke banden waren met een Engels kerkgenootschap dat dagelijkse zendtijd wenste te kopen. Een naam durfde ze niet te noemen daar er nog geen contract was getekend, wat daarna ook niet zou gebeuren.

Wel was ds. Geert Toornvliet uit Bloemendaal met bepaalde regelmaat was te beluisteren via de 270 meter. Hij bracht dus enig geld binnen bij Capital Radio, financiën die werden verkregen via oproepen aan de religieuze luisteraars die maar graag doneerden. Beydals werd in hetzelfde interview ook gevraagd naar potentiële grote vissen als de Coca Cola Company, een vraag die ze afdeed met: “Ik begrijp niet waar men zich druk over maakt. Tegenwoordig schijnt bij ieder project van deze omgang gezocht te worden naar grote organisaties en/of bedrijven die er financieel achter steken. Particulieren schijnen geen geld meer te kunnen hebben.”

In de zomer van 1970 werd aan diverse journalisten een promotiepakket toegestuurd waarin door de IBS ondermeer gewag werd gemaakt van de opening van een prachtig kantoor van waaruit het secretariaat haar werkzaamheden kon gaan verrichten voor de IBS als wel voor Capital Radio. Mr. J. Mattiesing was benoemd tot General Manager en werd verantwoordelijk voor het dagelijks runnen van de organisatie. Als programma coördinatrice voor Capital Radio werd Liz Dalfsen aangesteld, die tevens de binnenkomende telefoontjes mocht opvangen. Verder had Mattiessing de beschikking over bekwame typistes en de voor die tijd modernste apparatuur. En ook in Bussum in het nieuwe pand aan de Elisabethgaarde, werden diverse activiteiten door diverse vrouwen verricht op voet van totale gelijkheid met de mannelijke collega’s.

In de tweede week van november 1970 raakte het zendschip op drift en liep het op de kust. Duizenden belangstellenden kwamen op het gestrande zendschip op het strand bij Noordwijk af en vormde zich een enorme file. Ook in de duinen en op de boulevard van de badplaats waren velen, al dan niet voorzien van een fototoestel, aanwezig om een blik te vangen van dit radioschip met toch wel een heel vreemd uitziende antenne. Maar was het alleen de antenne die aandacht trok?

Geruchten deden er alom de ronde binnen bepaalde kringen van de aanhangers van de zeezenders. Grote vraag was of het schip voor andere doeleinden werd gebruikt dan alleen het brengen van een idealistische boodschap. In eerdere instantie tijdens de voorbereiding van het project was de tender Kangeroo al eens een haven in Engeland uitgevaren zonder de douaneambtenaren op de hoogte te stellen van de lading aan boord, een aantal jeeps waarvan ook nog eens vage berichten de ronde deden over de inhoud van deze jeeps. Had de International Broadcasting Society misschien banden met landen waar men het niet zo nauw nam met de internationale voorwaarden betreffende de levering van wapenen aan bepaalde landen?

Nieuwsgierigen genoeg in de dagen dat de King David op het strand lag. De bemanning was nog enige tijd aan boord gebleven maar op een bepaald moment besloten sommigen toch het zendschip te verlaten en verbaasd keken de vele op het strand en in de duinen aanwezige nieuwsgierige mensen hoe niet alleen mannelijke bemanningsleden de tocht van het schip naar de wal ondernamen maar ook een aantal vrouwen, gekleed in het vrouwelijke tenue van de Liechtensteinse marine, door het lage water richting de duinen waadden.

Dat er meer aan boord van de King David was dan op het maken van radioprogramma’s gerichte apparatuur wist de gemiddelde belangstellende destijds niet totdat enige dagen later terug gegrepen werd in de dagbladpers op de stranding en melding werd gemaakt van de aanwezigheid van traangas en automatische wapenen – waaronder lichte en zware mitrailleurs.

Decennia later werd de voormalige directeur van Capital Radio met de aanwezigheid van de wapenen aan boord van een zendschip dat vooral een charitatieve instelling tot doel had, geconfronteerd. Timmy Thomasson verdedigde zich met: “Het was het geval dat we ons onveilig voelden en we wilden voorbereid zijn op eventuele pogingen om het zendschip te kapen. Alle bemanningsleden, ook de vrouwen, waren er op getraind om daadwerkelijk tegen dergelijke acties te kunnen ingrijpen.”

Onder andere bepaalde omstandigheden bleek de bemanning echter niet adequaat in te grijpen want de reden dat het zendschip strandde op de kust bij Noordwijk was simpel en alleen te weerleggen aan het gebrek van een machinist aan boord van de King David. Deze had tijdelijk het zendschip verlaten om thuis enkele zaken te regelen zonder duidelijke instructies achter te laten aan de vrouwen hoe de motor van de coaster was te starten. Hoezo, een gedegen training?

Er was op dat moment wel een kapitein aan boord, de 47-jarige Leen Plug uit Amsterdam. Toen hij merkte dat het zendschip op drift was geraakt wekte hij Gerrie Preuss en andere collega’s. Het was Gerrie die contact opnam met Radio Scheveningen en de legendarische woorden: “Scheveningen, help, help” zou hebben geroepen. Maar verder zou er niet al te veel paniek zijn geweest. In totaal waren er op dat moment vier vrouwen en drie mannen aan boord en er werd nog wel geprobeerd het noodanker uit te brengen en werd er een poging ondernomen het schip onder zeil te zetten.

Een aanbod tot assistentie van de bemanning van de sleepboot Hector, eigendom van de firma Wijsmuller, werd afgewezen daar men van mening was dat men het wel zou gaan redden. De wind was echter zo hard dat de MV King David zeer snel richting het strand afdreef, liefst 8 kilometer verwijderd van waar ze eerder die nacht nog was verankerd. Het jongste bemanningslid aan boord was de uit Amsterdam afkomstige Thin Shan Hasiang Shanfa. Zij was slechts 17 jaar maar had totaal geen angst want volgens Gerrie Preuss riep ze bij herhaling dat we lekker naar het strand gingen en zich afvroeg of de koffie daar al klaar was.

Nadat men op drift was geraakt had de dienstdoende kokkin, Florence Oudenbroek, nog rustig even een kopje thee in de kombuis gezet zodat een ieder even tot rust kon komen alvorens men de puinhoop aan boord kon opruimen, die was ontstaan doordat het schip dwars op de golven behoorlijk afwijkende bewegingen had gemaakt.

Nog voordat het zendschip uiteindelijk op het strand liep was er toch een gewenste assistentie die werd verkregen door de ondersteuning van de bemanning van de reddingsboot Kurt Carlsen die de eerder genoemde dames en de Engelse matroos Richard Brown van het zwalkende schip haalden. De kapitein en een Britse ingenieur, die weigerde zijn naam te noemen, bleven op het schip achter.

Terugkomend op de vermeende wapenen aan boord van de King David stelde de vrouw van directeur Thomason, Berthe Beydels, dat het mogelijk kon zijn dat de bemanning maatregelen had genomen ter voorkoming van de overtreding van de Nederlandse wetgeving, dit zonder in verder detail te treden. Later op de dag, nadat de stranding volop in het nieuws was geweest, stelde een woordvoerder van de P.T.T., ondermeer verantwoordelijk voor de opsporing van niet officieel geregistreerde zendapparatuur, dat er niet tegen de organisatie achter Capital Radio zou worden opgetreden omdat het ging om noodweer. Beydels sprak liever over een bedrijfsrisico en stelde dat het radiostation spoedig weer zou terug komen op de 270 meter.

Noch de vrouwelijke bemanning, noch de mannelijke bemanning van de King David keerde voorgoed terug op het zendschip. Diverse pogingen werden ondernomen door ondermeer de eerder genoemde sleepboot Hector om het zendschip los te trekken van het strand, wat niet alleen direct mislukte, en dus vele pogingen zou duren, maar ook veel geld zou gaan kosten. Toen uiteindelijk het schip werd losgetrokken werd het versleept naar de haven van IJmuiden en men verwachtte dat het radiostation binnen een week weer in de ether zou komen. Het bleek echter dat alle gemaakte kosten bij lange na niet konden worden betaald en maanden duurde de strijd met de schuldeisers. In de voorzomer van 1971 besloot de IBS haar eigen faillissement aan te vragen. Alle vrouwen, uitgezonderd Berthe Beydels, waren toen al vertrokken bij de IBS.

Print Friendly, PDF & Email

Comments are closed.